Leidsche straat-schender
Sedert eenige maanden herwaarts heb ik bespeurd, dat de geenen, die zich nu en dan in boeken oeffenen, een ongemeene lust en vermaak scheppen in het leezen der licht-misserijen, en boeven-stukken; mogelijk om dat de deugd niet aanlokselen genoeg en heeft, om hen te bekooren. Om deeze oorzaak herb ik eenige ledige uuren (die ‘t my beter docht aldus over te brengen, dan in de herbergen, en met van anderen kwaad te spreeken) tot het beschrijven der guiterijen en lichtmisserijen van mijn jeugd besteed. Ik twijfel niet, of de Studenten, dit leeven voor den dag ziende komen, zullen daar meer vermaak in neemen, dan in het leezen van Justinianus, Baldus, en meer diergelijke Messieurs, want die zijn te statig, en ten anderen konnen zy ze dikwils niet verstaan, alzoo ze nu gemeenlijk meer even zoo veel Latijn kennen, wanneer ze de Trivial schoolen doorwandeld hebben, als genoeg is om de Colloquia van Corderius te verstaan, en een Thema van zeven of acht regels in zeer barbarisch Monniken-latijn over te zetten. Hoe veel gemakkelijker valt het dan voor deeze Geletterden een Neder-duitsch boek te leezen, dat niet en handeld, als van zaaken, die met hun inborst en geneigdheden zoo wel over een komen, en dat zy als een vade mecum in hun zak steeken, en van buiten konnen leeren, om by gelegentheid eens me studentje te speelen, en hun Ouders goed voor den duivel te helpen? De geenen, die op Academien verkeerd hebben, en noch verkeeren, weeten wel, dat ik de waarheid zeg, en dat de twee of drie eerste jaaren meer versleeten worden in het leezen der Schriften van Aretin, als in die van Aristoteles of Cartesius, en evenwel heeft het de naam, dat ze in de Philosophie studeeren, gelijk zy ook zelf de stoutheid wel hebben, om in ‘t openbaar te disputeeren; maar, dank heb den Professor, die deeze Messieurs gemeenlijk niet meer spreeken laat, als Sic argumentatur doctissimus Dominus Opponens, &c. om niet aan al de weereld te toonen dat ze Ezels en Weet-nieten zijn; maar dat ‘er eens te disputeeren viel uit de Putain errante, of l’Escole des Filles, ik ben wel verzeekerd, dat ‘er dan geen Professor van nooden zoude weezen, om het voor hen op te neemen; want van die zaaken verstaan ze de Theoria en de Practica zoo wel, dat ‘er niets ter weereld aan ontbreekt. O! wat is ‘t een vreugd voor de Ouders, als ze zulke geleerde Kinderen hebben, en hoe fraai staat het, dat men me een woord in ‘t Capittel weet te brengen! Maar ik zou met deeze praat wel heel van de wijs raaken en een Voorreden maaken, die eens zoo groot was, als mijn gantsche Roekelooze Student is, dat ik evenwel niet zeer dienstig kan vinden. Dit wil ik alleen noch maar zeggen, dat gy hier omtrent de helft van mijn Studentenleeven ziet, en dat de andere helft binnen weinig weeken me in ‘t licht zal komen. Zoo ik dan bevind, dat het u wel bevallen heeft, zal ik een Werkje aan den dag geven, dat tegenwoordig onder de Pen is, en mogelijk in kluchtigheid en wonderlijke voorvallen voor niet veelen zal behoeven te wijken. Vaart wel.
Uit: De Leidsche straat-schender, of roekelooze student. Amsterdam, Timotheus ten Hoorn, 1683. (De gegraveerde titelplaat meldt overigens: Leiden, C. Iacobss, 1679) (Hierbij afbeeldingen van een druk uit 1720 die in volledige tekst te vinden is op: http://picasaweb.google.com/oude.kinderboeken/LeidscheStraatschender12WedGDeGroot1720?authkey=MTaD5TFQZEk#).
